Begrippenkader

1. Democratie
Democratie is niet alleen een stelsel van verkiezingen en politieke besluitvorming, maar een wijze van besturen waarin macht wordt gelegitimeerd en begrensd en waarin het bestuur uiteindelijk ten dienste staat van de samenleving.

2. Democratisch bestuurlijk bestel
Het geheel van politieke, bestuurlijke en uitvoerende instituties, regels, processen en verantwoordelijkheden waarmee democratische besluitvorming wordt georganiseerd en maatschappelijke doelen worden gerealiseerd.

3. Maatschappelijke werkelijkheid
De concrete werkelijkheid waarin burgers, professionals, organisaties en bedrijven leven en handelen en waarin de gevolgen van beleid en bestuur daadwerkelijk zichtbaar en ervaren worden.

4. Bestuurlijk beeld
De voorstelling die politiek en bestuur van de maatschappelijke werkelijkheid hebben, opgebouwd uit informatie, indicatoren, rapportages, modellen, procedures en signalen uit de organisatie en samenleving. Dit beeld is noodzakelijk om te kunnen besturen, maar valt nooit volledig samen met de werkelijkheid zelf.

5. Kwaliteit van bestuur
De mate waarin het bestuurlijk bestel in staat is zijn democratische en maatschappelijke functies goed te vervullen en daarbij verbonden blijft met de werkelijkheid waarop het handelen betrekking heeft.

6. Effectiviteit
De mate waarin bestuurlijk handelen daadwerkelijk bijdraagt aan het bereiken van de beoogde maatschappelijke resultaten.

7. Efficiëntie
De mate waarin die resultaten worden bereikt met een doelmatige inzet van mensen, middelen en tijd. Binnen dit onderzoek wordt efficiëntie mede gezien als een gevolg van kwaliteit: beter ingerichte en functionerende processen leiden tot minder fouten, herstelwerk, bureaucratie en verspilling.

8. Professionaliteit en professionele ruimte
De deskundigheid en handelingsruimte van professionals om algemene politieke en bestuurlijke uitgangspunten te vertalen naar concrete situaties. Politiek en bestuur bepalen richting en kaders; professionals moeten binnen die kaders voldoende ruimte hebben om hun vakmanschap toe te passen.

9. Verantwoordelijkheid en bevoegdheidVerantwoordelijkheid en bevoegdheid moeten binnen het bestuurlijke bestel met elkaar in overeenstemming zijn. Wie verantwoordelijkheid draagt voor de kwaliteit van een beslissing, proces of uitvoering, moet beschikken over passende bevoegdheden, informatie en handelingsruimte om die verantwoordelijkheid daadwerkelijk te kunnen dragen. Omgekeerd brengt het verkrijgen van bevoegdheid en handelingsruimte de verantwoordelijkheid mee om over de kwaliteit van het handelen verantwoording af te leggen.

10. Terugkoppeling
Het proces waardoor ervaringen, resultaten, afwijkingen en signalen uit uitvoering en samenleving terugkomen bij de niveaus waarop beleid en bestuurlijke besluiten worden gevormd.

11. Corrigerend en lerend vermogen
Het vermogen van het bestuurlijk bestel om verschillen tussen bestuurlijk beeld en maatschappelijke werkelijkheid tijdig waar te nemen, daarvan te leren en beleid, uitvoering of bestuurlijke werkwijzen zo nodig aan te passen.

De samenhang

Deze begrippen vormen samen eigenlijk één redenering:

Democratische opdracht → bestuurlijk bestel → bestuurlijk beeld en beleidsvorming → professionele uitvoering met passende verantwoordelijkheid en bevoegdheid → maatschappelijke werkelijkheid → terugkoppeling → correctie en leren → kwaliteit → grotere effectiviteit en efficiëntie.

Volgende pagina Managementsamenvatting

vorige pagina Voorwoord